Evolutie volgens Darwin, met variatie, selectie en vermenigvuldiging, is een sleuteleigenschap van het leven zoals wij dat kennen. Waarschijnlijk speelde dit proces ook een grote rol bij het ontstaan van leven: vanuit een simpel begin konden prebiotische moleculen zo steeds complexer worden en uiteindelijk uitgroeien tot levende systemen.
Om Darwiniaanse evolutie mogelijk te maken, moet aan drie voorwaarden worden voldaan. Ten eerste moet er variatie zijn: verschillen tussen systemen. Ten tweede moeten sommige varianten succesvoller zijn dan andere, bijvoorbeeld doordat ze beter overleven of zich sneller vermenigvuldigen. En ten derde is erfelijkheid nodig: eigenschappen moeten worden doorgegeven bij het kopiëren.

Vooral dat laatste roep vragen op. Hoe ontstonden de eerste moleculen die zichzelf konden kopiëren en informatie konden doorgeven? En hoe kon dat kopiëren nauwkeurig genoeg zijn om eigenschappen te behouden, maar tegelijk ook fouten toelaten die juist nodig zijn voor variatie en evolutie?
In dit project wordt daarom met modellen onderzocht welke eigenschappen moleculen nodig hebben om zichzelf te kunnen kopiëren. Ook wordt gekeken hoe omgevingsfactoren die processen beïnvloeden, en hoe interacties tussen polymeren het kopiëren van informatie kunnen helpen of juist verstoren.
